Feeds:
Berichten
Reacties

met kapotte knieën op een tegelvloer
wordt het visvoer
dat in haar glimlach zat
uit gans haar keel gekotst

de spataders in haar ogen
kunnen niet meer wenen
zijn niet meer bloeddoorlopen
en uit ieders zicht verdwenen

maar goed
langs haar nagels
blijkt zijn gezicht nog in de buurt

ze houdt van hem
ze danst met hem
terwijl ze met haar blote bakkes
langs de muren schuurt

zo heb ik haar waarschijnlijk
nooit zien liggen
maar ze ligt er

als een onbeslapen
kapotgeneukte
massa vrouw

geradbraakt moeiteloos
ademt ze fles na fles de coca cola
naar het bodemloze van haar lijf

en staart de wereld aan
zolang die plat en vierkant
en zonder enig voortbestaan

ook elders zoekt ze naar haar ogen
ziet alleen maar muren
gladde oppervlakken
die alsmaar op de ruimte blijven plakken

als ik ze vind, dan kijk ik niet

de hoerenzoon
gemaskerd en gemazeld
met een door bijzonderheden
geperforeerd verleden

zit toch maar weer gewoon
aan een leegstaande tafel
en rookt een sigaret

de wereld als pervers sonnet
kan hij wel zeggen
van alles de onderkant gezien

maar net als de peuk
die aan zijn ogen brandt
is een pen lang niet zo bijdehand

ondersteboven

de papieren filter
ligt onderhand te smeulen op dit blad
en krabt de assen uit zijn gat

zo breedsprakerig
dat mij niets rest dan uit te doven

mijn pik even leeg als deze pen
waarvan de inkt alleen maar lijnen
schreef; de randen van verzonken duinen
zo zijn wij verminkt

maar ook dat is liefde
en eigenlijk alleen maar dat

ach, wat een moeilijk woord
misschien beter te verbannen
naar de eremologie
in een begraven boek

zo weinig ben ik dan
(bij jou)
korrel na korrel na korrel
in de modder van jouw schoot

blaas mij weg
maar wees dan op z’n minst de wind

Natureingang.

het land dat licht te rotten in de zon
de natuur
bedremmeld als een moeder
die haar kind begraaft
zet haar inboedel op straat
en laat haar vogels
hangen in de lucht

de bomen
onder wier gezag
niets of niemand lacht
maken krassen in de horizon

inderdaad
je bent niet al te lelijk
want krullen vallen ’s winters niet
en borsten verstuiven niet als zand

je kut geen bodemloze put
waaraan een gier zich laaft

want laven zal ik niet
jouw huid hangt als een spiegel
om een oppervlak
waarbuiten alles langzaam sterft

je ogen 20 keer verpakt
om niet te hoeven zien
mijn nietsontziend bederf

motregen
hangt zich als draden
aan onze onderruggen vast

voetpaden
drijven als afgezaagde
bomen langs mijn ogen

de huid is schors
en kraakt
als de stilte die zich aan je rijgt
als niemand zwijgt

gij schoonheid
waarvan alle schoonheid
afgeleid

de straten
vervangen zich
verhangen zich
aan uw afwezigheid

een vrouw
met twee benen
en een rug
de enige die stond

geaard
maar ver weg
in andere grond

haar blik lag
als een plaat
om haar eigen ogen
gekromd

niet  onbereikbaar
maar iemand
die zichzelf slechts in zichzelf
bevond

Rusthuis.

lijk
door hun eigen wangen
op het gezicht
geslagen

frunniken
de mannen
aan het gemiddelde
der dagen

in de hoeken
inhaleren
doodgewone
dames
elkaars aanwezigheid


één der sigaretten
rochelt
en vat vlam

verliest de strijd
want groter dan de hel
kan die aansteker
niet zijn

Piano.

niet minder
dan mijn eigen vel
bind ik haar pezen
rond mijn huid

wandel ik
langs haar tenen
de toetsen
van een vermolmd
instrument
een uitgespeeld
temperament

niet minder
zal de stilte
van haar dijen
mij verdoven

ergens sterft een hond

glazen wanden
vervangen het weer

rondom
heeft men ooit gestapeld
holle baksteen
en stalen
ruggenwervels

de laatste spat
is opgepoetst
viert haar aftocht
onder een zacht
omwentelend kompres

de parken
worden aan de randen
uitgerekt
in het gras
ligt een veld
met druppels zweet

Oudere Berichten »